Sluitertijd

De belichting is een van de belangrijkste onderdelen van fotografie. Fotografie is immers schrijven met licht. Met de belichting bepaal je hoeveel licht! Er zijn 3 technieken om de perfecte belichting te krijgen: het diafragma, de sluitertijd en de ISO-waarde. Alle drie hebben ze voordelen en nadelen. Per techniek wil ik dit verder uitwerken!

Terug: diafragma                                                                                                                                                                                    Verder: ISO-waarde

Dordrecht-Wijnhaven at night
Dordrecht-Wijnhaven at night

Sluitertijd.

In feite zou de sluiter in je digitale spiegelreflex beter ‘opener’ kunnen heten. Het uit een aantal metalen lamellen opgebouwde schuifje voor de beeldsensor zit namelijk bijna altijd potdicht. Alleen wanneer je de ontspanknop helemaal indrukt (of Live View inschakelt), geven de lamellen de beeldsensor gedurende een bepaalde tijd vrij. Deze tijd varieert van minuten of uren tot een minieme fractie van een seconde en wordt sluitertijd of belichtingstijd genoemd. In het bovengenoemde stuk zag je dat je het diafragma in de lens kunt openen om meer licht naar de beeldsensor door te sluizen. Maar kunt ook de sluiter langer laten openstaan. Een tweemaal zo lange sluitertijd (bijvoorbeeld 1/30 in plaats van 1/60 seconde) heeft hetzelfde effect als één stop grotere diafragmaopening (bijvoorbeeld F4 in plaats van F5.6). Voor de belichting althans, want voor het beeld (scherpte) maakt het wel degelijk uit. In grote lijnen kun je stellen dat waar je de scherptediepte regelt met het diafragma, je via de sluitertijd beweging doseert.


Red glow - Kinderdijk
Red glow - Kinderdijk

Moderne beeldsensoren zijn vele malen lichtgevoeliger dan die van vroeger. Toch gelden dezelfde optische vuistregels als voorheen. Om een bewegend onderwerp haarscherp vast te leggen (‘bevriezen’), moet de belichtingstijd/sluitertijd kort genoeg zijn. Hoe kort exact, daar zijn geen keiharde richtlijnen voor. In de eerste plaats hangt dit af van de snelheid waarmee je onderwerp beweegt. Maar ook hoe groot het onderwerp in beeld komt, speelt een rol. Als je een raceauto in volle vaart beeldvullend op de foto wilt zetten, heb je een kortere sluitertijd nodig dan wanneer je er een overzichtsfoto van maakt. Een derde factor is de bewegingsrichting. Als die raceauto rechts op je afkomt is een sluitertijd van 1/250 of 1/500 seconde waarschijnlijk kort genoeg, terwijl je 1/2000 seconde nodig hebt als diezelfde raceauto dwars door je beeld raast.

Met een kortere sluitertijd bevries je niet alleen de bewegingen van je onderwerp, maar ook de bewegingen van jou als fotograaf. Naast bewegingsonscherpte heb je namelijk ook nog trillings-onscherpte. Hoe langer de sluitertijd, hoe lastiger het is om je camera stil te houden. Het ezelsbruggetje is dat de sluitertijd niet langer mag zijn dan één gedeeld door de brandpuntsafstand  van het objectief. Dus bij een brandpuntsafstand van 50mm mag de sluitertijd 1/50 seconden zijn om uit de hand te fotograferen. Hou hierbij wel rekening met je ‘cropfactor’.


Loevestein
Loevestein

 

Automatisch of zelf in de hand? 

In de programmastand en bij automatische belichting met diafragmavoorkeuze wordt de sluitertijd bepaald door de camera. Motief-programma’s, als ‘sport’ houden de sluitertijden zo kort mogelijk. Daarnaast kun je de sluitertijd op iedere spiegelreflex met de hand instellen. Bij handmatige belichting regel je zelf zowel de sluitertijd als het diafragma. Maar je kunt ook kiezen voor automatische belichting met sluitertijdvoorkeuze, waarbij de camera het diafragma aanpast aan de door jou gekozen sluitertijd. Op de keuzeknop of in het menu wordt deze belichtingsmethode weergegeven door ‘S’ of ‘Tv’. Je kunt ook het diafragma aanpassen (‘A’), de camera zorgt voor bijpassende sluitertijd. Zodoende ben je altijd verzekerd van de kortst mogelijke sluitertijd. Als je jouw camera instelt op sluitertijdvoorkeuze en de zon breekt door de wolken, kiets de automaat namelijk geen kortere sluitertijd, maar een kleiner diafragma. Zelfs wanneer een korte (lf lange) sluitertijd je eerste prioriteit is, ben je dus per saldo doorgaans beter af met diaafragmavoorkeuze. Alleen als je per se een bepaalde sluitertijd wilt, is sluitertijdvoorkeuze de beste optie.

 

Relatief.

Al met al is er aan de invloed van de sluitertijd op je foto niets geheimzinnigs. Als je beweging wilt bevriezen, gebruik je een korte en als je beweging wilt laten zien, juist een lange sluitertijd. ‘Kort’ en ‘lang’ zijn in dit verband allebei relatief. Zelfs sterren aan de nachthemel ‘bewegen’ wanneer je maar lang genoeg belicht. Als de sluitertijd te kort is om bewegingsonderschepte vast te leggen, zelfs met het kleinste diafragma en de laagste iso-waarde, kan een grijsfilter je redding zijn. Verlaat gerust de gebaande paden en vergeet daarbij niet dat je onderwerp niet het enige is wat beweegt. Als je volledige vrijheid wilt om met sluitertijd te variëren, kun je niet zonder statief.