Belichting

De belichting is een van de belangrijkste onderdelen van fotografie. Fotografie is immers schrijven met licht. Met de belichting bepaal je hoeveel licht! Er zijn 3 technieken om de perfecte belichting te krijgen: het diafragma, de sluitertijd en de ISO-waarde. Alle drie hebben ze voordelen en nadelen. Per techniek wil ik dit verder uitwerken!

Panorama Kinderdijk at sunset
Panorama Kinderdijk at sunset

 

Het diafragma bevindt zich niet in de body van je camera, maar in het objectief. Het bestaat uit een aantal metalen plaatjes, lamellen genoemd, die samen een cirkelvormige opening vormen. Deze lamellen kunnen verschuiven, waardoor de grootte van de opening verandert. Een kleinere opening laat uiteraard minder licht door dan een grote opening. Zo kun je met het diafragma de hoeveelheid licht regelen die doorgelaten wordt. Als het diafragma helemaal openstaat, laat de lens het meeste licht door. Vandaar dat die grootste diafragmaopening ook wel ‘lichtsterkte’ heet.


Zonsondergang De Lek, Ameide
Zonsondergang De Lek, Ameide

Om met de verschillende diafragmaopeningen te kunnen werken is er een standaard afgesproken: het F-getal oftewel de diafragmawaarde. Verwarrend genoeg wordt de diafragmawaarde dus hoger naarmate de opening kleiner wordt. Zo is F2.8 een grotere diafragmaopening, die veel meer licht doorlaat dan F16. Er schuilt nog een addertje onder het gras. F4 laat niet – zoals je op het eerste gezicht zou verwachten – tweemaal zoveel licht door als F8, maar viermaal zoveel. Als de diameter van een cirkel met een factor twee toeneemt, neemt de lichtdoorlatende oppervlakte namelijk toe met twee in het kwadraat. In figuur 7 vind je de meest voorkomende diafragmawaarde. Elke stap in deze tabel (bijvoorbeeld F2.8 naar F4) staat gelijk aan een halvering van de doorgelaten hoeveelheid licht. Zo’n halvering of verdubbeling van de belichting noemen we een ‘stop’. Bij veel objectieven is het mogelijk ook tussenliggende waarden in te stellen, vaak in halve of derde stops. Je krijgt zo meer mogelijkheden om het juiste diafragma voor jouw foto te kiezen. Als je op een zonnige dag  buiten aan het fotograferen bent, temper je de overweldigende hoeveelheid licht door de diafragmaopening te verkleinen. Je kiest dus een hoge diafragmawaarde, zoals F11. Ga je naar binnen, dan neemt de hoeveelheid licht flink af. Als het diafragma ongewijzigd laat, wordt de belichtingstijd te lang om nog uit de hand te kunnen werken. En als je de lichtgevoeligheid opschroeft, krijg je last van ruis. Om toch scherpe en ruisvrije foto’s te kunnen maken, moet je het diafragma verder openen, bijvoorbeeld tot F4. Daardoor laat de lens achtmaal zoveel licht door naar de sensor, waardoor de belichtingstijd een factor acht korter kan zijn.


Blokkerse Wip, Kinderdijk
Blokkerse Wip, Kinderdijk

Nadelen

Met het diafragma regel je niet alleen de hoeveelheid licht die wordt doorgelaten. Een lagere diafragmawaarde (grotere opening) geeft ook minder scherptediepte. Een opmerking hierbij is dat bij spiegelreflexen het diafragma gewoonlijk helemaal open staat voor een zo helder mogelijk zoekerbeeld (behalve bij Live View). Het gaat pas dicht tot de ingestelde waarde als je de opname maakt. Het optische zoekerbeeld geeft dus een vertekend beeld van de scherptediepte. Om de scherptediepte te controleren, sluit je het diafragma tot de ingestelde waarde met de scherpte-dieptecontroleknop. Deze zit op je body, bij de lensvatting.

Onscherpte voor en achter je onderwerp bij weinig scherptediepte noemen we bokeh. Deze achtergrondonscherpte wordt onder andere bepaald door het diafragma en met name het aantal diafragmalamellen. Hoe meer lamellen er in het diafragma zitten, des te ronder de opening die het diafragma vormt.

Ook het beeldkwaliteit wordt enigszins beïnvloed door het diafragma. Hoewel de verschillen minder groot zijn dan vroeger, presteert vrijwel ieder objectief nog altijd het beste bij gemiddelde diafragmawaarden. Bij de grootste openingen zijn vooral de hoeken van het beeld wat minder scherp. Als je het diafragma dichtdraait, nemen scherpte en contrast toe, om bij de kleinste diafragmaopening (F11 en hoger) weer terug te lopen. Om zelf te bepalen waar de foto scherp moet zijn, moet je de camera van de automatische stand afhalen. Elke spiegelreflexcamera en de betere compactcamera hebben de mogelijkheid om het dia-fragma handmatig in te stellen. Gebruik hiervoor de belichtings-methode automatische belichting met diafragmavoorkeuze. Bij de meeste camera’s is dit de A-stand (naar het Engelse ‘Aperture’, wat diafragma betekent), bij modellen van Canon is dit de AV-stand. In deze stand kies je met het instelwieltje het gewenst diafragma. De camera past automatisch de sluitertijd ( en eventueel lichtgevoeligheid wanneer deze op automatisch staat) aan, om te zorgen voor een correcte belichting. Hoe verder je je het diafragma dichtdraait, hoe minder licht er binnenkomt en hoe langer de sluitertijd wordt. Houd dus altijd de sluitertijd in het oog om ‘bewogen’ foto’s te voorkomen.